Een geneesmiddel wordt in een andere instelling toegediend dan waar het geneesmiddel is voorgeschreven. Welke instelling declareert het geneesmiddel?

De hoofdregel is dat de instelling waar men het geneesmiddel toepast (verstrekt of toedient aan de patiënt), het geneesmiddel ook declareert. De bekostiging van geneesmiddelen is dus afhankelijk van de plaats van toepassing. Dit betekent dat de instelling waarin een geneesmiddel wordt toegepast, ook de instelling is die dat geneesmiddel declareert; ongeacht vanuit welke instelling het geneesmiddel voorgeschreven wordt.

De instelling declareert het geneesmiddel als integraal onderdeel van het bijbehorende dbc-zorgproduct. Indien er een add-on prestatie geldt voor het betreffende geneesmiddel, dan wordt het geneesmiddel als add-on prestatie (dat wil zeggen, los van de lopende dbc) gedeclareerd door de instelling waar het geneesmiddel wordt toegepast.

Er zijn twee uitzonderingen op bovenstaande hoofdregel:

  1. Geneesmiddelen die enkel en alleen deel uitmaken van de aanspraak op Geneeskundige Zorg zoals medisch specialisten die plegen te bieden, als bedoeld in artikel 1.4 van het Besluit zorgverzekering, en
  2. Geneesmiddelen voor de behandeling van HIV.

Geneesmiddelen die binnen deze twee groepen vallen, worden gedeclareerd door de medisch specialistische zorgverlener (instelling) waarvan de patiënt voor de toepassing van het geneesmiddel ‘eigen patiënt’ is én waarvan de zorg die met het geneesmiddel verband houdt, niet wordt overgenomen door de instelling waar het middel wordt toegediend.

In alle gevallen geldt dat de instelling die het geneesmiddel declareert, dit alleen mag doen als dit geneesmiddel niet al buiten de medisch-specialistische zorg (zoals via de openbare apotheek) is gedeclareerd.

Een voorbeeld hiervan is een kankerpatiënt met een amputatie. Na de amputatie wordt de patiënt voor revalidatie opgenomen in een revalidatie instelling. De patiënt krijgt medicatie (oncolytica) voorgeschreven door de medisch specialist uit het ziekenhuis. Oncolytica valt onder de groep ‘geneesmiddelen die enkel en alleen deel uitmaken van de aanspraak op Geneeskundige zorg’. Ook blijft de patiënt voor de behandeling van kanker ‘eigen patiënt’ bij het ziekenhuis. De revalidatie instelling neemt deze zorg niet over. In dit geval draagt niet de instelling voor revalidatiezorg, maar de instelling voor medisch specialistische zorg de kosten voor deze medicatie. Het ziekenhuis declareert deze kosten voor het geneesmiddel.

Waar nodig kan het verrekenen van kosten voor geneesmiddelen tussen instellingen geregeld worden via onderlinge dienstverlening.

Meer informatie over het bovenstaande kunt u vinden in hoofdstuk 2.5 van het document Beoordeling en verantwoording DBC-pakket 2016 (te downloaden in het Totaalbestand RZ16a).