Aanspraak geneeskundige zorg of farmaceutische zorg: wanneer geldt welke aanspraak?

Binnen de zorgverzekeringswet kunnen voor éénzelfde geneesmiddel of voor twee geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof twee aanspraakregelingen gelden: de aanspraak farmaceutische zorg en de aanspraak geneeskundige zorg. De plek waar het geneesmiddel wordt toegepast (verstrekt of toegediend aan de patiënt), bepaalt welke aanspraak van toepassing is. Als de medisch specialist een geneesmiddel voorschrijft dat buiten de instelling wordt afgeleverd en toegepast, dan geldt de aanspraakregeling voor farmaceutische zorg. Als de patiënt het geneesmiddel binnen de zorginstelling krijgt, gaat het om de aanspraak geneeskundige zorg.

De minister van VWS heeft voor bepaalde groepen geneesmiddelen bepaald dat ze uitsluitend onder de aanspraak van geneeskundige zorg vallen, ongeacht of ze binnen of buiten de instelling worden toegepast. Dit zijn onder andere de zogenaamde ‘overgehevelde geneesmiddelen’: geneesmiddelen tegen kanker, reuma, groeihormonen en fertiliteitshormonen. Meer informatie daarover leest u in de brief van VWS 'Afbakening aanspraak Farmaceutische Zorg en aanspraak Geneeskundige Zorg met betrekking tot geneesmiddelen, april 2014'.

Voorbeeld:
Geneesmiddelen met de werkzame stof voriconazol worden ingezet bij schimmel- en gistinfecties. Deze geneesmiddelen horen niet bij de groepen die uitsluitend vanuit de aanspraak geneeskundige zorg bekostigd worden. De plek waar het geneesmiddel wordt toegepast, bepaalt dus vanuit welke aanspraak het geneesmiddel vergoed wordt. Indien een medisch specialist voriconazol voorschrijft voor toepassing buiten de instelling en het niet gaat om een intraveneuze toediening (medisch specialistische verpleging in de thuissituatie), dat geldt de aanspraak farmaceutische zorg. U mag dan géén add-on declareren. Als de patiënt voriconazol binnen de instelling krijgt, mag u wel een add-onprestatie in rekening brengen.