Interview

Goed monitoren wat het project in de praktijk gaat brengen

Het verhaal van MIND

Aukje Eggenhuizen is benieuwd welke meerwaarde het project wachttijden op basis van declaratiedata in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) voor cliënten gaat hebben. Voor MIND is het vooral zaak dat mensen met een psychische kwetsbaarheid zelf regie hebben over de toegang tot de zorg als ze die nodig hebben. 

“De wachttijden in de ggz zijn al jaren een probleem voor onze achterban”, zegt Eggenhuizen. “Dan helpt het op zijn minst als mensen weten hoe lang ze moeten wachten. Op de websites van de zorgaanbieders staan wel overzichten, maar die kloppen niet altijd en ook bij het aanleveren blijken dingen niet goed te gaan.” 

Gaat het aanleveren van de wachttijden in de ggz met declaratiedata hierin structurele verbetering brengen? “We hopen natuurlijk dat de kwaliteit hiervan met deze aanpak omhoog zal gaan”, zegt ze. “Wanneer onze achterban meer inzage gaat krijgen in de wachttijden, zou dit enorme winst zijn.” 

Monitoring

MIND heeft, stelt Eggenhuizen, op dit moment nog geen goed zicht op wat precies het perspectief is dat dit project biedt. “Het is vooral een technische exercitie”, zegt ze. “Het is belangrijk dat in de praktijk goed gemonitord gaat worden wat het werkelijk oplevert. Daarbij moeten bijvoorbeeld ook de schommelingen in het aanbod – denk aan ziekte of vakantie van een behandelaar – worden meegenomen. En ook de informatie over wachttijden, en dus het behandelaanbod, die ggz-zorgaanbieders dicht zetten. Dit noemen we de ‘opnamestops’. Want daarbij is er dus deels geen volledige informatie over waar mensen terechtkunnen.”  

Het is waardevol, stelt ze, als de gekozen aanpak het individu meer eigen regie geeft. “Een psychische kwetsbaarheid brengt je snel in een positie van afhankelijkheid en dat is niet werkend voor je herstel. Dus is het goed als je zelf een stap kunt zetten om tot een behandeling te komen – bijvoorbeeld door te kiezen voor een zorgaanbieder waarbij de wachttijd het kortst is – en dit dus niet via de huisarts te hoeven regelen. Ook meer in de breedte pleiten we ervoor de eigen regie zoveel mogelijk bij het individu te laten.” Daarom is het voor MIND en haar achterban belangrijk dat het project wachttijden op basis van declaratiedata in de ggz gaat zorgen voor betere inzage in de wachttijden. 

“Wanneer onze achterban meer inzage gaat krijgen in de wachttijden, zou dit enorme winst zijn.”

Ervaringen delen

De samenwerking op beleidstrajecten verloopt goed, maar om de wachttijdproblematiek structureel aan te pakken is meer nodig, stelt Eggenhuizen. “Om te beginnen niet op eilandjes werken in de praktijk, maar goede initiatieven breed gebruiken”, zegt ze. “En zo vroeg en zo breed mogelijk kijken waar mensen het best kunnen worden geholpen. Het project wachttijden op basis van declaratiedata in de ggz kan het startpunt zijn van gerichtere aanpak op de wachttijdenproblematiek. Dit biedt ruimte voor andere interventies. Het ecosysteem mentale gezondheid GEM is in dit verband interessant, omdat het een breed pakket van mentale ondersteuning biedt waarvan de ggz slechts een van de onderdelen is.” 

Ook het verkennend gesprek is in de kern een goede ontwikkeling, vindt ze. “Een beperking ervan is alleen dat het uitgangspunt nu is dat hierbij in ieder geval een ggz-professional en een professional uit het sociaal domein betrokken moeten zijn”, zegt ze, “en eventueel een ervaringsdeskundige. Daarin zou meer gelijkwaardigheid beter zijn. De ggz-professional en de professional uit het sociaal domein moeten in dit verkennend gesprek met een bredere blik kijken dan alleen vanuit hun professionele rollen. Gelijkwaardige inbreng van een ervaringsdeskundige helpt hierbij enorm, omdat die minder geneigd zal zijn om te denken vanuit interventies.”