Rechter stelt de NZa in hoger beroep in het gelijk in zaak tegen tandprotheticus

Op 6 april 2017 legde de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een boete op van 112.000 euro aan een tandprotheticus vanwege onjuiste declaraties en overtreding van de administratievoorschriften. Deze boete is rechtmatig opgelegd stelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in Den Haag op 21 april 2020.

Hand houdt papieren vast
©isk

In de periode 2013-2015 deed de NZa onderzoek naar de eenmanszaak. Uit de afgelegde verklaringen, overgelegde nota’s en overige documenten bleek dat bij 400 patiënten een toeslag van circa 250 euro per persoon in rekening is gebracht voor een gebitsprothesebehandeling. Deze in rekening gebrachte toeslag week af van de regels die de NZa hiervoor stelt. Daarmee overtrad de tandprotheticus artikel 35 in de Wet marktordering gezondheidszorg (Wmg). Bovendien kon uit de administratie niet worden opgemaakt welke prestatie voor welk tarief werd geleverd. Dat betekent een overtreding van artikel 36 in de Wmg.

De tandprotheticus voerde in zijn verweer onder meer aan dat in het verleden de tandtechnische werkzaamheden in een afzonderlijke BV werden uitgevoerd. Na overname van die betreffende BV zette de tandprotheticus deze werkzaamheden voort in zijn eenmanszaak. De tandprotheticus gaf aan zich niet te realiseren dat het vervaardigen van de prothesen hiermee juridisch gezien niet meer door een afzonderlijke vennootschap werd uitgevoerd. Daarnaast voerde de tandprotheticus aan dat de boete op een te hoog bedrag was vastgesteld, namelijk op basis van de omzet van de eenmanszaak terwijl de opbrengsten daaruit ook ten goede kwamen aan anderen.

Zowel de Rechtbank Rotterdam als het CBb heeft bevestigd dat de betreffende tandprotheticus in strijd heeft gehandeld met de Wmg. De door de NZa opgelegde boete van 112.000 euro is als rechtmatig beoordeeld door de rechter. De uitspraak van het CBb is definitief.