De NZa krijgt veel vragen van zorginstellingen over uiteenlopende onderwerpen. Hieronder de meest gestelde vragen op een rij.
De indexering van de personele kosten gebeurt op basis van een percentage dat de overheid vaststelt: de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA). Het Centraal Planbureau berekent het percentage op basis van de CAO's en loonkostenontwikkeling in de markt. Het OVA-percentage is rond de maand juli bekend en wordt met terugwerkende kracht naar 1 januari in de budgetten verrekend. Dit kan tot een inhaaltoeslag leiden.
Het prijsindexcijfer personele kosten bedroeg in de jaren 2000 tot en met 2009:
2000 4,03%
2001 5,67%
2002 6,04% (6,46% voor ziekenhuizen)
2003 3,20%
2004 1,65%
2005 0,92% (1,28% voor de gehandicaptenzorg)
2006 0,84%
2007 2,42%*
2008 4,07%
2009 3,42%
2010 1,75%
*Dit percentage is aangepast van 2,32% naar 2,42% naar aanleiding van een uitspraak van de Haagse rechter in een kort geding op 3 oktober 2007 tegen het ministerie van VWS.
Het voorlopige prijsindexcijfer personele kosten voor 2011 is 1,25%.
SluitenMet ingang van 1998 worden voor zorginstellingen en beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg de materiële kosten en de investeringen in inventaris trendmatig aangepast op basis van het prijsindexcijfer particuliere consumptie uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau. Het definitieve percentage voor een bepaald jaar is rond de maand juli van dat jaar bekend. De indexering wordt met terugwerkende kracht naar 1 januari in de budgetten verwerkt en door een inhaaltoeslag in de tarieven verrekend. Het prijsindexcijfer materiële kosten bedroeg in de jaren 2001 tot en met 2010:
Jaar Prijsindexcijfer
2001 3,28
2002 2,01
2003 1,99
2004 0,78
2005 1,42
2006 2,47
2007 1,51
2008 2,68*
2009 0,87
2010 -0,31
*De aanpassing van de budgetten van de aanbieders in de Care (2008) is slechts 1,65% vanwege een efficiencykorting.
Het voorlopige prijsindexcijfer materiële kosten voor 2011 is 1,0%.